;

Ik wil haar knuffelen, maar dat kan niet

Mijn wekker gaat en het eerste wat door mij heen gaat is: ‘wat tref ik vandaag aan’. Ik kleed me om, bedenk me dat ik extra kleding en water moet meenemen en stap in mijn auto. Mijn hartslag is duidelijk hoger dan normaal. Bij de Bosman tel ik even tot tien en stap mijn auto uit.

Ik wil haar knuffelen, maar dat kan niet

Mijn maag draait even om

Bij binnenkomst eerst mijn handen ontsmetten, aaahhh dat prikt. Ze waren al kapot van het vele wassen en de alcohol. Ik ga gelijk door naar de afdeling. Zonder collega’s te zien of te spreken. Op de gang zie ik de stoelen met beschermende middelen voor de deuren van de besmette bewoners. Mijn maag draait even om. Het zijn er meer dan gisteren.

Eerst maar even lezen hoe het afgelopen nacht is gegaan. Ik hijs me in mijn beschermende pak, bril op, mondkapje voor en handschoenen aan. Het is bloedheet, mijn bril beslaat door mijn eigen adem! Ik vraag bewoners hoe de nacht ging en doe de controles, want die zijn belangrijk. Ik vraag wat ik verder voor ze kan doen, maar voor de mensen die positief getest zijn blijft het meestal bij wat opfrissen.   

 

Of de douchedeur dicht mag

Er belt een bewoner die gelukkig geen verschijnselen heeft. Nieuw mondkapje, handschoenen en bril. Ze wil graag douchen. Natuurlijk mag ze dat. Het lopen gaat moeizaam. Je merkt dat ze al een tijdje op haar kamer zit en minder beweegt. Dat doet zeer om te zien. Ze vraagt of de douchedeur dicht mag, want ze voelt wind. Ik probeer nog of hij op een kiertje mag omdat ik voel dat ik door de warmte van mijn graadje kan gaan. Jammer, maar ik kan mevrouw niet ompraten. Ik leg me erbij neer en probeer met handschoenen aan om haar aan te kleden. Dat valt niet mee, want ze belemmeren je echt in alles wat je doet. Als we bijna klaar zijn gaat de bel van een zieke bewoner. ‘Wat kan ik voor u betekenen? U heeft een ongelukje gehad? Ik kom er aan.’

 

Ik ga u lekker opfrissen

Pak weer aan, bril op, nieuwe handschoenen en alcohol erop. Mevrouw had duidelijk een opfrisbeurt nodig. Fijn dat ik dat voor haar kon doen. ‘Nee hoor mevrouw, het is niet erg’ en ik grapte dat mondkapjes van binnen net zo ruiken als daarbuiten. Na het opfrissen waren we allebei uitgeput. 

 

Toen had je nog mensen die je lief vond

De mevrouw van het aankleden belt. Ze wil graag ontbijten. Omkleden, alcohol, …..  ‘Er is niets meer aan’, zegt mevrouw, ‘het is nog erger dan de oorlog, toen had je nog mensen die je lief vond, nu niet’. Ik begrijp het, maar het doet zeer. En de telefoon blijft maar gaan. Familie wil weten hoe het met hun dierbaren gaat. Lief, maar niet handig voor 10 uur want we zijn dan nog zo druk met de zorg. Maar eerlijk: wat zou ik zelf doen als het om mijn dierbaren ging?

 

Ik wil haar knuffelen

Na een snelle kop koffie ga ik met een collega een zwaardere bewoner helpen. Ze kijkt angstig als we binnen komen in ons tenue. Ze heeft alle symptomen van het virus, maar wordt niet meer getest. Ze huilt ‘Wat gebeurt hier toch allemaal’. Ik wil haar knuffelen, maar dat kan niet. Ik zie haar verdriet.

 

Op deze manier afscheid nemen is erg

Familie is aan het waken. Je wilt ze te woord staan en even bij ze zitten, want het is verschrikkelijk om op deze manier afscheid te moeten nemen. En dan moest ik ook nog uitleggen dat ze na  het overlijden snel uit haar kamer wordt weggebracht, de deur daarna op slot gaat en pas na de het hele coronagedoe weer open gaat. ‘Neemt u vast mee wat waardevol voor u is mee en vergeet het adressenboekje niet”.

 

Was in speciale zakken

De telefoon blijft maar gaan. Familie, keuken of receptie. Er staat familie voor de deur om de vuile was van hun moeder op te halen. Deze mevrouw is positief getest, dus alle attributen gaan weer aan, doe de was in speciale zakken, zet de zak in de lift voor de receptie die het dan overneemt omdat wij niet van de afdeling mogen.

 

Ik kan wel huilen

De serveerdienst belt dat een bewoner nog steeds niet uit bed is. We gaan kijken. Mevrouw heeft hoge koorts en alle verschijnselen van het afschuwelijke virus. Ik probeer haar op te frissen, bel haar familie, schakel de huisarts in en rapporteer.

Daarna brengen we het eten rond. De meeste bewoners hebben geen trek en willen ons alleen even zien, een praatje maken en zich beter voelen. 

De huisarts meldt zich, dus beschermende kleding weer aan. Mevrouw wordt niet meer getest, want het is voor 99 procent zeker dat ook zij het virus heeft. Weer een stoel erbij. Ik kan wel huilen.

 

Is dat gedoe nou nog niet over?

Voor bewoners met dementie is het helemaal onbegrijpelijk wat er gebeurt. ‘Is dat gedoe nou nog niet over...?’ Ik blijf rustig herhalen dat het fijn is als ze op haar kamer blijft, omdat er zieke mensen zijn en we niet willen dat zij ook ziek wordt. Mevrouw is geïrriteerd dat dit weer wordt gezegd en dat begrijp ik.

 

Het zijn uitdagingen

Tussen de bedrijven door legen we de brievenbussen. Normaal doet de familie dat. Er is veel lieve post. We lezen de kaarten en brieven voor, de een nog liever dan de ander, al heb ik bij sommige bewoners nooit geweten dat ze zoveel familie hadden. Maar het openen van enveloppen met handschoenen aan en daarna verstaanbaar voorlezen met mondkapje? Het is uitdaging!  

 

Irritatie

Een collega belt en vertelt dat er een geïrriteerde mail is binnengekomen van een familielid. Of we beter kunnen afstemmen over het ophalen van de was zodat hij zijn andere zaken ook beter kan regelen. Ik begrijp het, maar ben ook geïrriteerd. Met enige moeite heb ik de mail vriendelijk beantwoord. Ze hebben gelukkig geen idee in wat voor hel wij momenteel werken.

 

Nog één belletje

Tijdens het overdragen aan de avonddienst komt er nog één belletje van een positief geteste bewoner. Nog één keer pak, bril, handschoenen en alcohol. Ik ben kapot, de groeven staan in mijn gezicht van masker en bril en mijn oren zijn kapot van de elastiekjes. En toch ben ik dankbaar als ik mevrouw die zo emotioneel is nog even kan helpen.

 

Ik wil janken

Ik kleed me om, stop alles in een vuilniszak, rijd naar huis en wil janken. Thuis staat manlief me op te wachten. ‘Hoe was het?’ ‘Nu even niet, ik wil eerst douchen en de was in de wasmachine doen. Dan kom ik’. Onder de douche denk ik na over de dag. Voor mijn gevoel heb ik alles gedaan wat moest, maar er was geen tijd en ruimte om liefde en knuffels te geven. Na een glas whisky zodat ik weet dat ik ook van binnen ben ontsmet, kom ik een beetje bij. Tot ik een berichtje krijg dat er een stuk in de krant staat. Ik lees het, word kwaad omdat het niet klopt en ik maak me druk.  

Mijn collega's staan bikkelhard te werken, we doen zo ons best. Als je in de ouderenzorg werkt heb je een band met bewoners. Dat is gewoon zo, maar hoe ziet het er over een paar weken uit? Hoeveel bewoners zijn er dan nog? Het is niet anders, ik weet het, maar wilde het gewoon even kwijt.

 

Esther van Wilsum – de Jong (verzorgende IG bij locatie de Bosman van Wilgaerden)